PKN
Protestantse kerk IJhorst - de Wijk
 
Nieuwbouw Nieuwbouw

Het eerste waarschijnlijk een houten kerkje, werd rond 1400 vervangen door een nieuwe kerk, in die kerk heeft in 1653 een verbouwing plaats gevonden. Tijdens die verbouwing gaf ds. Johannes Luesen, op eigen initiatief, de timmerlieden opdracht de preekstoel te verplaatsen van midden in de kerk naar de westzijde, de huidige plek. Een deel van het kerkbestuur verzette zich hier tegen. Na aanhoudende protesten werd pas na 5 jaar de handeling van de predikant afgekeurd en werd hij veroordeeld tot het betalen van de verplaatsingskosten.    Over terugplaatsen werd niet gesproken. Zo is het althans vermeld in het kerkelijk archief. De Nieuwe Drentse Volksalmanak van 1919 houdt er een andere lezing op na. (zie bijlage 3) Hierin wordt niet gesproken over betaling van verplaatsingskosten. Wel wordt uit het schrijven in deze almanak duidelijk,         dat het allemaal lang geduurd heeft, dat de hele verbouwing geheel door de predikant geleid en geregeld is en dat hij ook de financiën beheerde. Verder blijkt, volgens de predikant, dat de kerkeraad de akte van aanbesteding heeft ondertekend en daarin was opgenomen dat de preekstoel aan de westzijde geplaatst zou worden (huidige plek), het geen ouderling Berend Jans en oud-diaken Jan Andries bestrijden en zich bij de neus genomen voelen. Tot slot blijkt dat ds. Luesen gelden heeft voorgeschoten, die door verschillende personen waren toegezegd, maar door het eigenzinnig optreden van de predikant weigerden zij dat te betalen. Ook een verzoek van drie compromissarissen, Johan de Vos van Steenwijk toe der Havixhorst, Wolter Sichterman en Scholtus A van Kuyck van de Wijk, het verschuldigde bedrag te voldoen, baatte niet. In 1684 is ds. Johannes Luesen overleden en of hij ooit aan zijn geld is gekomen, valt zeer te betwijfelen. De oorspronkelijke kerk van omstreeks 1400, heeft het tot 1792 uitgehouden, in dat jaar werd besloten tot uitbreiding van de kerk omdat het aantal lidmaten toenam. Dit mede als gevolg van de toenemende bevolking.
Uit een document van 1790 blijkt dat de kerk bouwvallig is en dat de inkomsten van de kerk niet toereikend zijn om kerk en pastorie te onderhouden. ( zie bijlage 4)

Een jaar na het besluit tot uitbreiding stuitte men al op moeilijkheden, vele graven zouden verplaatst moeten worden door deze uitbreiding. De kerkeraad bood de betrokkenen even zooveel en bekwame grond aan voor verplaatsing, de Ridderschap moest dan wel accoord gaan dat grond die bij de Pastorie-erve behoorde, hiervoor gebruikt mocht worden. Vijf eigenaren van graven en of grond gingen hier niet mee accoord en maakten de zaak  aanhangig bij de Ridderschap en Steden. Deze stelden de kerk in het ongelijk en verklaarden,
dat de klageren (de kerk) verpligt zijn genoegen te nemen met de presentatie der beklaagden. Wat betekende dat de graven niet verplaatst mochten worden en dus binnen de muren van de nieuw te bouwen kerk kwamen te liggen. In een brief uit 1793 maken Gedeputeerde Staten van Overijssel aan de stemgerechtigde erfgenamen van IJhorst en De Wijk duidelijk hoe zij er over denken. De tekst van de orginele brief luidde als volgt:

Extract uit het Register der Resolutiën van de Gedeputeerden van de Staten van Overijssel.

Campen , den 19 Maart 1793
Gedelibereerd (overleg gevoerd hebbende) zijnde op de Resolutie van Ridderschap en Steden van den 15 Maart dezes jaars waarbij in handen van deze Tafel, ten fine van dispositie (beschikking) , gesteld wordt zoo de requeste (vraag) van gecommitteerden (kerkeraad) van de Goedsheeren en stemgerechtigde Erfgenamen van IJhorst en De Wijk, houdende dat hunne committenten hadden goed gevonden om de kerk te IJhorst, welke zulks noodzakelijk vorderde, ingevolge het bijgevoegde plan te vergrootten, waartoe vereischt wierd dat enige graven van het kerkhof werden ingetrokken. Dat zij getragt hadden hierover met de eigenaars te contracteren, dog met vijf derzelve niet hadden kunnen eens worden, weshalve verzogten dat dezelve eigenaaren zijnde Harm Harms (Bulder) , Paul Jans (Inberg) , Warner Roelofs (van Schot) , Lammigjen Lucas (op de Hoek, de Stapel) en H.J Kuiper mogt worden gelast, om tot dit nuttige werk en noodzakelijke werk, hunne gepretendeerde (aanspraakmakende) graven of grond op het kerkhof van den IJhorst tegen ontvangst van even zooveel en bekwame grond op het zelve kerkhof te moeten afstaan en het zelve werk geenzins te vertragen. Alsmede dat Ridderschap en Steden wilden toestaan dat hiertoe zooveel grond, als ten requeste (verzoekschrift) gemeld, van het Provinciale erve dat bij de pastorie aldaar gehoord, mogt worden gebruikt. Als de respective (voorgaande) berigten op dezelve zoo van de rentmeester der pastorie - en vicariegoederen (pastoriegoederen) van Zalland, als van Harm Harms Bulder, Paul Jans, Warner Roelofs en Lammigjen Lucas, gerequireerd (geeist) bij resolutie van Ridderschap en Steden van den 19 October 1792, is goed gevonden mits dezen toe te staan dat het provinciale erve in de IJhorst vijftien of twintig roeden gronds tot vergrooting van de kerk of  kerkhof in de IJhorst gebruikt en afgenomen worden. En ten opzigt der beklaagden Harm Harms Bulder en consorten mits dezen te verklaren dat de klageren (de kerk) verpligt zijn genoegen te nemen met de presentatie der beklaagden, ingevolge derzelve berigt gedaan en dienvolgens aan dezelven zooveel grond binnen de kerk af te staan tot begraafplaatsen  als dezelven, door vergroting der kerk op het kerkhof zouden komen te verliezen.

was getekend  L.E.S. Sloet.  Accordeert met voorgeschreven Register M.Tijdema

Pas op 7 september 1821 werd besloten dat de ”timmermansbazen" Klaas Guichelaar en Derk Hendriks de kerkelijke gebouwen zullen inspecteren. 16 november 1821 gaf argitect Jacobes Dekker van het Hoogeveen toelichting op de plannen voor verbouwing van de kerk. In 1822 werd besloten tot de bouw van een geheel nieuwe kerk, waarvan de eerste steen werd gelegd in 1823. Een gevelsteen in een van de zijmuren wijst hierop met de volgende regels: Jan Arend Godard de Vos van Steenwijk tot Dickninge, oud 4½ jaar, heeft de eerste steen gelegd 14 April 1823. De aannemer H. Brouwer te Meppel werd dit werk, na een gehouden inschrijving op 21 oktober 1822, gegund voor de som van ƒ 7470, waarvan ƒ500 was bestemd voor de restauratie van de westgevel, welke van de oude kerk kon blijven staan. Dat het werk was gegund aan een aannemer buiten de kerkelijke gemeente, lokte een protest uit van de plaatselijke aannemers.      Wel was het de gewoonte dat de plaatselijke aannemers wisselend om de twee jaar, het onderhoud pleegden van kerk en pastorie, mits zij de kerkelijke aanslag betaald hadden. Men bleef evenwel bij het besluit aan wie het gegund was, aannemer Brouwer uit Meppel. Maar toen moest ook nog de financiering geregeld worden, besloten werd een lening uit te schrijven. Men kon intekenen voor ƒ200,- of een veelvoud daarvan. Voor de kleine, rijke, elite van De Wijk bleek deze vorm van financiering geen probleem te zijn. Onderstaande lijst laat zien dat enkele leden zelfs twee keer inschreven.

C. de Vos van Steenwijk   
J. Nijsingh
J. Schiphorst van de Haalweide
J. L. Steenbergen   
Kl. Eemten   
F. M.Braspot   
J. Nijsingh   
R. H. de Vos van Steenwijk   
L.T. van de  ?   
J. J. Schiphorst   
J. Schiphorst van de Haalweide   
G. W. de Vos van Steenwijk   
C. de Vos van Steenwijk   
Totaal
1000,
600,
1000,
600,
400,
1000,
400,
600,
200,
200,
1000,
600,
400,
8000,    fl

Het is opmerkelijk dat onder de credietverleners geen IJhorsters waren. Was de Wijker elite kapitaalkrachtiger of was inschrijven op een dergelijke lening voor de rijke boeren uit de Wijk en de heren de Vos van Steenwijk meer een prestigekwestie dan voor de IJhorster elite ? ? De gelden verkregen door deze lening, konden later grotendeels worden afgelost doordat men besloten had kerkbanken (gestoelten) te verkopen en zitplaatsen te verhuren. Deze verkoop en verhuur vond op 25 augustus plaats bij de kastelein L. Steenbergen in de
Wijk, waar de kerkvoogdij al enige tijd haar vergaderingen hield. Baron R. H. de Vos van Steenwijk hield als notaris toezicht op de gang van zaken. In het geheel werden 7 banken verkocht, aan de noordzijde drie, aan de zuidzijde twee en in het midden twee. Eigenaren werden de volgende personen: (uit de notulen van de kerkvoogdij1823)
No. 1 De Heer Baron C. de Vos van Steenwijk, het gestoelte aan de noordzijde in de kerk bestaande uit drie banken voor ƒ1380,07.
No. 2 Jacob Schiphorst in de Haalweide, het gestoelte aan de zuidzijde tegenover
eerstgenoemde voor ƒ1253, 62.
No. 3 Jan Lucas Steenbergen in de Eemten, het gestoelte aan de noordkant naast no 1 voor ƒ1296,21.
No. 4 C. van de Wetering op de Wetering, eerste bank in het gestoelte aan de linkerzijde der ingang aan de zuidzijde ƒ390,50.
No. 5 Geert Bezoen de tweede bank in hetzelfde gestoelte voor ƒ310, -.
No. 6 Jan Bezoen de derde bank voor ƒ300, -.
No. 7 Jan ter Haar zijnde het gestoelte bij de noorder ingang voor ƒ1066,55. 

De totale opbrengst van de verkoop bedroeg ƒ6760,75.

Kort daarna kochten ook Harm van Beugelen en de families Bulder en Schoonvelde een eigen bank. In het middenvak werden zowel aan de zuidzijde als aan de noordzijde (links en rechts van de preekstoel) 24 zitplaatsen verhuurd. (zie bijlage 6)  Om een indruk te krijgen wat die verhuringen jaarlijks opleverden, hier een willekeurige opsomming van enkele jaren, 1825 -ƒ158,- , 1856 -ƒ289,50, 1870 -ƒ398,- en 1906 -ƒ537,- . Er dient te worden opgemerkt dat een aantal herengestoelten uit de oude kerk, een plaats gevonden hebben in de nieuwe kerk. Dat waren de gestoelten van de eigenaren van de havezathen de Havixhorst, Dunningen en de Pol. Ook de fam. Tonkens, Lucas ten Wolde en Andries Snoek hadden in 1790 al een eigenbank. Deze eigenaren werden geacht zelf de kosten te betalen, die gemaakt moesten worden voor het verplaatsen van de banken van de oude naar de nieuwe kerk.In 2001 hebben een aantal mensen, betrokken bij de kerk, een inventarisatie gehouden hoe de situatie omstreeks 1925 moet zijn geweest. Wat betreft eigen en verhuurde banken kwam men tot de volgende invulling: (zie bijlage 7) Toen in 1992 een interne restauratie plaats vond zijn de eigenaren van  banken benaderd (voor zo ver nog aanwezig), met het verzoek of de banken gerestaureerd mochten worden, uiteraard voor rekening van de kerk. De kerk heeft de eigenbanken toen waarschijnlijk bewust niet afgeschaft en het in z'n waarde willen laten, met de gedachte dat dit op de duur vanzelf z'n einde zou krijgen. Nu na 10 jaar, blijkt dat nog ongeveer vijf families met kerkgang of andere gelegenheden, gebruik maken van de bank die vroeger behoorde tot hun familie.

Om terug te komen op de nieuwbouw in 1823, deze schijnt weinig moeilijkheden opgeleverd te hebben. De meeste ingezetenen vervulden trouw hun plicht bij het vervoer van materiaal. Met uitzondering van Pouwel Inberg, hij was één van de weinigen die weigerden hun aandeel te leveren bij het vervoer van bouwmateriaal. De aanvoer over de Reestbrug had ook financiële consequenties, bij het passeren van de provinciegrens moest tol worden betaald. Besloten werd dat de kosten hiervan gedeclareerd konden worden bij de kerkvoogdij.

De bouw verliep zo voorspoedig dat Jan Godard de Vos van Steenwijk tot Dickninge, zoon van de eerder genoemde Carel, op 14 april 1823 de eerste steen kon leggen, hij was toen vier en een half jaar. Korte tijd later kon dominé    F. J. Smit zijn eerste preek houden in het vernieuwde kerkgebouw

De gang van zaken rond de bouw van de kerk liet zien dat een kleine kapitaalkrachtige groep voor de financiering had gezorgd. Daar stond tegenover dat deze families in het kerkbestuur ook duidelijk een stem in het kapittel hadden.
Deze verhoudingen passen (gelukkig) niet meer in begin van de één-en twintigste eeuw. Wel moeten wij ons realiseren dat die kleine groep er toen wel voor gezorgd heeft, dat het kerkelijk leven voortgang kon vinden.

Twintig jaar later, in 1841, bleek ook de pastorie in slechte staat. De oude werd afgebroken en er kwam een nieuwe voor in de plaats. De plek werd omschreven als, midden in eenen grooten en vruchtbare hof. De nieuwe pastorie werd gebouwd door Remmelt Berends Visscher uit Meppel, toch weer één van buiten de gemeente, voor de prijs van ƒ2100.- waarbij inbegrepen een regenput en koperen pomp. In latere tijden heeft een uitbreiding plaats gevonden naar het zuiden en in 1923 werd aan de westzijde een cathechiseerlokaal bij de pastorie aangebouwd, waar vanaf toen ook de vergaderingen van het kerkbestuur plaats vonden. Voordien werden die gehouden bij Roelof Hoogenkamp in De Wijk en daarvoor, in1844, in de locatie van Lucas Lubberink in De Wijk.


Nadat al enkele jaren gesproken was over een consistoriekamer, werd op 24 november 1887 besloten tot het bouwen hiervan. Dit gebeurde bij inschrijving, de volgende timmerlieden leverden een inschrijfbiljet in: H. Teunissen voor ƒ356.- , E. Poortman ƒ347.- , W. Lubberink ƒ295.- ,  J. Hauwlo ƒ329.- , L. Poortman en J. Wittink voor ƒ295.- . Na onderling overleg werd besloten om de bouw te gunnen aan W. Lubberink
 

terug
 
 

Kerkdienst: Avondmaal, collecte Voedselbank
datum en tijdstip 09-12-2018 om 10.00 uur
meer details

kerstwandeling
datum en tijdstip 09-12-2018 om 13.30
meer details

Cantorij
datum en tijdstip 11-12-2018 om 19.30
meer details

 
De Klokkenstoel

Protestantse kerk IJhorst
- de Wijk

Kerkweg 10
7955 AA IJhorst      
 
 
Protestantsekerk.net is een samenwerking tussen de dienstenorganisatie van de Protestantse Kerk in Nederland en Human Content Mediaproducties B.V.